Schaars of niet

De waarde van zilveren guldenmunten wordt als eerste bepaald door de waarde van het zilver waarvan de munt is gemaakt. Afhankelijk van de zilverprijs, het gewicht en het zilvergehalte heeft de munt een minimumwaarde.

Kwartje 1818 - Opbrengst 37.000 euroIndien de munt interessant is voor verzamelaars, kan de verzamelwaarde de zilverwaarde enorm ontstijgen. Zo kan een muntje met een paar euro’s aan zilverwaarde, voor verzamelaars misschien wel duizenden euro’s waard zijn. Eind 2011 werd voor het zeldzame kwartje van de foto hiernaast (zilverwaarde € 1,10) maar liefst 37.000 euro betaald op de MPO veiling te IJsselstein.

Schaarste

De waarde voor verzamelaars wordt bepaald door de kwaliteit van de munt en schaarste van de betreffende munt in die kwaliteit.

Over het algemeen geldt dat oude munten schaarser zijn dan nieuwere munten. Een redelijk recente guldenmunt die in oplage van miljoenen is geslagen, is een stuk minder schaars dan eentje waar er slechts enkele van zijn geslagen. Sommige guldenmunten kunnen bijna honderd jaar oud zijn, maar door de hoge oplage toch niet schaars. Voor niet-schaarse munten is de zilverprijs leidend. Bij schaarse munten wordt altijd eerst gekeken naar de kwaliteit van de munt. Bij circulatiemunten wordt tijdens het gebruik door slijtage en beschadigingen de kwaliteit steeds lager en blijven er steeds minder munten van hoge kwaliteit over. Een munt die in lage oplage geslagen is en ook nog eens van zeer goede kwaliteit is, zal dan ook meer waard zijn dan een sterk versleten of beschadigd exemplaar van een munt met een hoge oplage.

Bij schaarse munten zijn prijzen die op veilingen worden geboden maatgevend voor de waarde. Ter indicatie kan men ook in catalogi opzoeken welke prijs daar vermeld staat, echter vaak zijn dat handelsprijzen die boven de op veilingen geboden prijzen liggen. Indien een guldenmunt zo extreem schaars is dat deze niet of nauwelijks in de handel komt, dan is de waarde waarschijnlijk zeer hoog, maar niet goed te bepalen.

Juliana en Beatrix

De zilveren munten van Juliana en Beatrix uit de periode 1950-2000 zijn in het algemeen niet schaars en de meeste worden verhandeld tegen de metaalwaarde. Alleen indien ze van onberispelijke kwaliteit zijn (proof of UNC) kan de waarde tot enkele tientallen euro’s hoger zijn. De uitzonderlijke munten met hogere waarde uit deze periode zijn:

  • – Het zilveren tientje uit 1970. Naast miljoenen niet-schaarse circulatiemunten en 20.000 prooflike exemplaren zijn er circa 40 exemplaren in PP-kwaliteit geslagen.
  • – De dubbelkopsgulden en -rijksdaalder uit 1980. Hiervan zijn 157 sets in zilver geslagen en 7 in goud.
  • – De afscheidsgulden 2001. 360 exemplaren in zilver geslagen, 2 in goud.

Wilhelmina

De gulden munten van Wilhelmina uit de eerdere eerdere jaren zijn schaarser dan de latere jaren. Munten uit de onderstaande lijst zijn niet schaars:

  • – Rijksdaalders vanaf 1929
  • – Guldens vanaf 1922, met uitzondering van 1944 en 1945
  • – Halve guldens vanaf 1921 (variant 1929 met afwijkende tekstpositie is iets schaarser)
  • – Kwartjes uit 1939, 1940, 1991, 1944
  • – Dubbeltjes vanaf 1936, met uitzondering van 1943, 1944 en 1945

Munten uit eerdere jaren kunnen schaars tot zeer schaars zijn. De verzamelwaarde ervan kan variĆ«ren van enkele euro’s tot vele duizenden euro’s.

Provinciaal, Lodewijk Napoleon, Willem I, II en III

De verschillende guldenmunten uit de periode tot en met Willem III zijn dusdanig schaars dat ze allen meer waard zijn dan de zilverwaarde. Afhankelijk van de schaarste in de betreffende kwaliteit kan de verzamelwaarde variĆ«ren van enkele euro’s tot vele duizenden euro’s.

[bronnen*: Krause, NVMH almanak, Schulman]