Historie

Voorgeschiedenis

De gulden is een munteenheid die eeuwenlang in Nederland gebruikt is. De naam Gulden is afkomstig van “gulden florijn” (gouden florijn), een gouden munt uit Florence die vanaf de dertiende eeuw in west Europa populair werd en waarop in de 14e eeuw graaf Willem V de eerste Hollandse gulden baseerde. Een bekende variant daarop was de begin zestiende eeuw onder keizer Karel V ingevoerde carolusgulden. Naast deze gouden carolus werd rond het midden van de zestiende eeuw de zilveren carolus ingevoerd, welke tot het eind van de zeventiende eeuw in de toenmalige Nederlanden als eenheidsmunt werd gebruikt. Afkortingen van florijn (f, fl. of Hfl.) zijn lange tijd gebruikt als aanduiding van de gulden bij bedragen. (De ƒ is daarom ook te vinden in het logo van deze website).

Provinciale guldens

Guldens - Nederlandse Maagd 1860Beginnend met de Unie van Utrecht werd tijdens de tachtigjarige oorlog de Republiek der Verenigde Nederlanden gevormd. Vanaf 1680 werd onder invloed van de Staten van Holland de eerste statengulden geslagen. In de eerste versie op de kopzijde nog een klimmende leeuw, maar in hetzelfde jaar nog een afbeelding van een staande Pallas Athene met een vrijheidshoed op een speer. Op de muntzijde staat het wapen van Holland. In 1680 werd deze Pallas nog geflankeerd door een provincieschild, maar vanaf 1681 leunt ze op een altaar met een bijbel. Tot en met 1687 werd dit type guldens ook door de andere provincies geslagen, met elk hun eigen wapen en provincienaam.

Guldens - generaliteitsguldenIn 1694 werd door de Staten Generaal de generaliteitsgulden ingevoerd, met op de kopzijde dezelfde Pallas-figuur (ook bekend als Minerva of de Hollandse- cq. Nederlandse Maagd), maar op de muntzijde het generaliteitswapen (de klimmende leeuw met pijlenbundel en zwaard) en alleen in de tekst er omheen de naam van de betreffende provincie.

De munt van één gulden weegt in die jaren 10,6 gram en is gemaakt van zilver met een gehalte van 92%. Ook zijn er op basis hiervan munten geslagen van hetzelfde gehalte, maar met andere grootte en een op de gulden gebaseerd gewicht. Deze guldenmunten variëren van een kwart gulden (ter waarde van vijf stuivers, maar vaak als muntmeesterpenning zonder waarde-aanduiding), een halve gulden (met aanduiding 1/2 GL of 10 S of 10 ST), één gulden (1 G, 1 Gl. of zonder aanduiding), een halve drie gulden (1/2 3 G), twee gulden (2 G) tot de munt van drie gulden (3 G of 3 GL).

Guldens in het Koninkrijk

De Republiek der Verenigde Nederlanden eindigde toen in 1795 door de Fransen de Bataafse Republiek werd gevormd. Pas met de overgang in 1806 naar het Koninkrijk Holland onder koning Lodewijk Napoleon werd afscheid genomen van de Pallas-figuur.

Onder Lodewijk Napoleon werd een gulden van 10,53 gram uit 91,2% zilver geslagen met op de muntzijde de aanduiding 1 Florin (1 F) cq. 1 Gulden (1 Gd) aan weerszijde van zijn wapen (de statenleeuw gecombineerd met de franse adelaar). Op de kopzijde kwam zijn portret. Naast de munt van één gulden verscheen een halve gulden als muntstuk van 10 stuivers (10 S, 5,26g) en maar liefst drie varianten van een munt van twee-en-halve gulden met allen als gewicht 26,348 gram, nl. 50 stuivers (50 S), een rijksdaalder (R D) en 2 1/2 gulden (2 1/2 Gn).

Na de Franse annexatie in 1810 werd in 1813 onder koning Willem I het Koninkrijk der Nederlanden gevormd. Onder Willem I woog de gulden iets meer (10,766 gram), maar had deze een wat lager gehalte (89,3%). De zilveren drie guldenmunt werd onder Willem I ook weer geslagen, met als gewicht 39.298 gram, iets zwaarder dus dan drie losse guldens. De kleinere zilveren munten (5 cent, 10 cent en 25 cent) hadden een flink lager zilvergehalte dan de gulden, nl. 56,9% tot 1828 en 64,0% vanaf 1848. In 1840 werd het gewicht van de gulden verlaagd naar 10,0 gram uit 94,5% zilver en werd de drie gulden vervangen door de rijksdaalder (2 1/2 gulden) van 25,0 gram. Onder Willem II en Willem III bleven de guldens dit gewicht en gehalte hebben, maar onder koningin Wilhelmina werd vanwege de hoge metaalprijs het gehalte van de halve gulden vanaf 1921 en guldens vanaf 1922 verlaagd naar 72,0 procent.

Guldens - maatvergelijkingOnder koningin Juliana werd het gewicht van de gulden verlaagd naar 6,5 gram en werd de rijksdaalder 15 gram zwaar (beiden 72,0% zilver). De laatste gewone guldens van zilver werden in 1967 geslagen, de laatste zilveren rijksdaalders in 1966. Na die tijd zijn onder Juliana in 1970 en 1973 nog wel zilveren herdenkingsmunten van tien gulden geslagen.

Herdenkingstientje - 10 gulden 1994Onder koningin Beatrix werden vanaf 1982 zilveren herdenkingsmunten van vijftig gulden geslagen en vanaf 1994 herdenkingsmunten van tien gulden. De laatste zilveren gulden was een gelimiteerde uitgave van 400 exemplaren van de herdenkingsgulden uit 2001 met op de kopzijde de kindertekening van een vlaggende leeuw.

Papieren guldens

In de periodes rond de eerste en tweede wereldoorlog was het tekort aan zilver dusdanig dat er zilverbonnen (1914-1920 en 1938) en muntbiljetten (1943-1949) met waarden vanaf 1 gulden werden uitgegeven. Van de grotere coupures werden in de negentiende eeuw al muntbiljetten en bankbiljetten uitgegeven, zoals muntbiljetten ter waarde van 5, 10 en 20 gulden vanaf 1846, 50 gulden vanaf 1852 en munt- en bankbiljetten van 25, 40, 60, 80, 100, 200, 300, 500 en 1000 gulden vanaf 1814.

Na de gulden

Op 1 januari 2002 is de Euro ingevoerd en is de gulden in Nederland geen wettig betaalmiddel meer. Tot en met 31 december 2006 kon gulden-muntgeld nog bij banken worden ingeleverd, maar vanaf 2007 had het in het betalingsverkeer geen waarde meer. Gulden papiergeld is tot en met 2031 bij De Nederlandsche Bank inwisselbaar.

Vanaf 2002 zijn er binnen het Koninkrijk der Nederlanden nog wel guldens geslagen voor de Nederlandse Antillen en Curaçao. Daarnaast hebben zowel de Koninklijke Nederlandse Munt als particuliere bedrijven op basis van de gulden zilveren penningen en replica’s uitgebracht in diverse formaten.

[bronnen*: Krause, NVMH almanak, Schulman, van Gelder, Wikipedia]